De bomen in het Leopoldpark fluisteren me een warm welkom toe. Met verwondering en bewondering bekijk ik de prachtige treurwilg aan de vijver. Doorheen het dunne bladerdak zie ik jouw glimlach glinsteren. Die stille diepe glimlach waarin liefde en pijn hand in hand gaan. Je daagt mijn hart uit om ook in verdriet te blijven kloppen.

De eik kijkt zwijgend toe. De linde luistert roerloos. De bomen wiegen me in de zeewind en strelen me met hun naakte takken. Ze hebben er nog weet van dat ik hier twaalf jaar geleden met jou poseerde. We hadden net in het stadhuis van Oostende een volmondig ‘JA’ gezongen. Ook al hadden we twee maanden ervoor vernomen dat je terminaal ziek was.

 

Voor het eerst in mijn leven weet ik het niet meer, maak ik geen plannen, heb ik geen dromen meer.

Twaalf maanden van rauw verdriet glijden voorbij. Een jaar, waarin alles weer voor de eerste keer moet gebeuren. Vrienden zeggen me dat het beter gaat als er vier seizoenen zijn overgegaan. Ik zal meer seizoenen nodig hebben. Ik moet me opnieuw uitvinden, elke dag opnieuw.

De eerste keer de sleutel in de voordeur steken en beseffen dat niemand me binnen met een glimlach opwacht. Nooit meer.

De eerste morgen verdwaasd wakker worden en je warme adem in mijn hals niet voelen. Nog dekken voor twee maar ontbijten met een lege stoel voor mij, de eerste lege ochtend in een eindeloze rij.

De eerste keer Sinterklaas en Kerstmis en Valentijn als gewone dagen ondergaan, wegglijden in een poel van ijskoud water en denken, nu verdrink ik.

De eerste keer het eerste jaar en beseffen dat het verlies zwaarder doorweegt dan het leven dat nog voor me ligt.

De eerste strandwandeling. Uitwaaien aan zee en geen grappen meer kunnen maken over je haar dat niet kan wegwaaien omdat je er nog zo weinig hebt.

Stilstaan bij de zee tot ik zelf zee word. Zwijgen en weten dat de zee mijn zwijgen verstaat. Tranen rollen aan en af als de golven op het strand. Ik hoor de zee zonder geluid. Serene stilte ondanks het jagen van de wolken, een stilte die nooit ophoudt.