Ze merkte amper dat het gekarteld fotorandje niet meer fraai oogde. Was het de traan die ongewild haar zicht vertroebelde of was ze toe aan een nieuwe bril? Hoe ze zich ook inspande, op de foto ontwaarde ze enkel de contouren van haar man. Het bracht haar in de war. Gespannen probeerde June het volledig beeld te zien, maar het lukte niet. Jean was Jean niet meer, dacht ze bitter. De omtreklijnen van zijn lichaam waren duidelijk maar ogen, lippen en neus waren versmolten tot een uitdrukkingsloos vlak masker. Jean oogde als een schim zonder gezicht. Ze onderdrukte een snik en probeerde het gezicht van haar lief te zien. Ze wankelde en ontredderd zocht June steun tegen de reling van het Westerstaketsel. Een schraal zonnetje verwarmde haar gezicht, de traan droogde op, de foto ging terug in haar tas. June draaide haar hoofd en keek naar het stukje horizon tussen strekdam en Westerstaketsel. Mijn ogen doen het echt niet meer, foeterde ze. ‘Ik weet goed hoe Jean eruitzag, een foto heb ik niet nodig! Groot, golvend haar, blauwe ogen en die lach … en toch wil ik hem zien op het kiekje. ’ze schreide bijna of klonk het eerder als een schreeuw om hulp? Het was een oude foto, maar toch. Ach, wat we waren jong toen en smoorverliefd, de wereld lag aan onze voeten. Dat prille geluk zou, moest eeuwig duren. Ze zuchtte. Ze hadden  een goed leven opgebouwd, drie kinderen, zes kleinkinderen en geen geldzorgen. De kinderen zwierven uit, twee werkten in het buitenland, Nadia woonde in de Ardennen. Jean was verknocht aan de zee. Een zeeman pur sang, en zij, zij ruilde haar overzeese heimat voor Oostende en deelde dezelfde passie. Uren kon ze genieten van de golfslag, de zilte geur, schelpen en zelf kwallen. Op zijn vijfenzestigste ging Jean met tegenzin op rust, maar de drang naar dat groot zout water bleef. Hij kocht een zeilbootje en voer terug de haven uit. June werd zijn fokkenmaat. Nooit eerder waren ze zo intiem als toen op zee. Bij hevige wind worstelden ze met de natuurfenomenen, klitten samen en hielden de boot in bedwang. Bij een spiegelgladde zee bleven ze dobberen en genieten. Op een van die momenten nam hij haar hand, keek haar aan en vroeg toen onverwacht of ze iets wilde beloven. Ongerust vroeg ze of er iets was. ‘Neen lieve June, ik ben zo gezond als een vis in het water, maar je moet me één iets beloven, als ik ga, strooi dan mijn as uit in zee. Beloofd?’ Ze knikte. Gek, dacht ze, waarom vraagt hij dat nu. Jaren gingen voorbij en over de belofte werd nooit meer gepraat, tot maart 2020. Jean werd getroffen door die hatelijke ziekte. Hij was één van de eerste corona zieken. Ook June werd ziek, maar genas. Jean werd zieker, kreeg geen lucht meer en werd noodgedwongen opgenomen. Die smerige virus velde haar reus. Het verdriet was immens en het besef dat Jean zonder een enkele liefdevolle aanraking heenging pijnigde haar gemoed. ‘He passed away, just like a butterfly.’ vertelde ze in haar moedertaal aan de kinderen. Het werd een intieme begrafenis, amper vrienden, geen koffietafel. Jean werd gecremeerd, de kinderen vroegen om een urne. June twijfelde. Ze had Jean toch beloofd om zijn as in zee uit te strooien. Een asurn als tastbare herinnering voor haar kinderen was wellicht ook een haalbare optie. Ze verkreeg dat de begrafenisondernemer een urne vulde met de as van Jean en een greepje as opzij hield. De dag na de sobere plechtigheid verlieten de kinderen het huis. Tja, mompelde June: werk, verplichtingen, school …  Kahil Gibran, denker en dichter, indachtig besefte ze nu ten volle wat  hij bedoelde: ‘Uw kinderen zijn uw kinderen niet …’ Schroomvol en beroerd vulde June ’s avonds een medaillon met as achter een foto van Jean. Het amulet hing steevast om haar nek, ook in bed. June keek naar de golven, haar handen zochten de hanger. Het voelde zo intiem. Ze glimlachte. Vanop ’t koptje van ’t Hoofd tuurde ze in het water. Begin juni was de laatste keer dat ze op het Klein Strand was. Het leek een eeuwigheid. Haar blik werd wazig, haar handen beefden. ‘ Ik word oud Jean, ik mis je zo.’ fluisterde het kleine vrouwtje. De wind speelde met de loshangende haren die vanonder haar muts piepten.
‘Ik moet maar eens opstappen Lief’, riep ze naar de zee. Ze knoopte haar jas dicht en wandelde over de houten leggers van het staketsel richting Visserskaai. In de verte beierden de klokken van de Sint Petrus en Pauluskerk, de lichtjes in de kerstbomen wiegden op het ritme van de wind en gesloten restaurants etaleerden wat kerstsfeer. Ze huiverde, de emoties hadden haar overmand. In haar hoofd ontrolde de film van 2 juni zich weer af. Op die bewuste woensdag wandelde June vroeg in de morgen naar zee. Tegen haar hart hield ze een rood lederen handtasje. God, wat was ze gespannen. Onder haar zomerjurk had ze haar zwempak aangetrokken. Ze voelde een lichte nervositeit, haar jurk golfde speels op het ritme van haar stap, haar hart bonkte hevig en naarmate ze het strand naderde werd ze onrustiger. ‘Jean’ prevelde ze, ‘ik heb het beloofd. Ik wil je wens volbrengen maar vergeef me Lief, het is een halve belofte … de kinderen, begrijp je? ’  Het strandje lag er verlaten bij. Dicht bij de vloedlijn trok ze haar jurk uit en schopte haar zomerslippers weg. De zon vergulde het water en de rode tas kreeg een warm oranje gloed. Ze herinnerde zich precies nog hoe ze verschrikt naar de tas keek alsof de precieuze inhoud iets wilde vertellen, of maande de vuurgloed haar tot spoed aan? Ze opende het tasje en viste voorzichtig het linnenzakje op. Bevend drukte June de reliek tegen haar hart, ademde diep in en waadde voorzichtig het water in. Het gevoel van verbondenheid met Jean overweldigde haar. Na een lange innige kus strooide June het restje as in zee. Zijn wens had ze maar deels volbracht en toch gaf het haar een voldaan gevoel. Langzaam golfde as in zeewater: het ritme van leven en dood. June bleef weg van het strand. Ze meed de vele toeristen die, vermomd Oostende inpalmden en misschien door nonchalance ziekte en dood konden zaaien.  Maar alleen zijn in huis was ondragelijk, ze praatte tegen muren en vazen, streelde zijn kledij en werd mensenschuw. Af en toe belden de kinderen. ‘Gaat het mam?’ ‘Tuurlijk’ antwoorde ze vluchtig. Maar haar huis werd het huis, kil en leeg. Vragen over hem, over haar, ze kon het niet meer aan. Alleen rouwen was vreselijk en toch, begin december durfde June de confrontatie met Jean en de zee terug aan. Bij mooi weer observeerde ze de kleine inham van het Klein Strand, sprak tegen Jean en liet haar tranen vloeien. Geen mens die haar pijn en eenzaamheid zag. Vol aandacht en meevoelen observeerde het publiek het reilen en zeilen van de zeehondjes. ‘Dag Lief, tot morgen.’ wuifde June.