‘Wat zit u hier te doen, meneer?’ Bert voelde hoe iemand aan zijn rechterschouder trok. Hij schrok en keek om. Achter de bank stond een dreigend silhouet, scherp afgetekend in het koude witte licht van twee koplampen, die, dat zou Bert even later merken, van een anonieme politieauto waren. De barse stem bulderde opnieuw: ‘Wat zit u hier te doen?!’ Bert was bruusk uit een mijmersessie gerukt en wist niet meteen iets te zeggen. Hij staarde ietwat gedesoriënteerd naar de rijzige gestalte. De politieman zag er imposant uit in zijn zwarte gevechtsuitrusting, met zijn kogelvrije vest en zijn gordel met matrak, pistool, pepperspray en handboeien. Batman, dacht Bert heel even. ‘Ik, eh…,’ stamelde hij, ‘Ik zit hier gewoon te zitten. Zomaar.’ ‘Niet met mijn voeten spelen, maat,’ snauwde de agent. ‘Niemand zit zomaar op een bank op de zeedijk om kwart voor vijf ’s ochtends vroeg.’ ‘Ik blijkbaar wel,‘ zei Bert. Hij trok, bijna verontschuldigend, de wenkbrauwen op. ‘Ik hou van het desolate van de bijna-dageraad.’ De agent was nu vlakbij Bert gekomen, en automatisch schoof Bert verder weg op de witte houten bank, kwestie van de anderhalve meter afstand te bewaren. Dat was nog steeds de regel, en de meeste mensen hadden zich aangepast. De overheid noemde het een teken van burgerzin en solidariteit. De agent die nu bij Bert stond stoorde zich duidelijk niet aan deze regels. Niet alleen kwam hij vervaarlijk dicht – hopelijk zet hij zich niet neer, dacht Bert, want hij had intussen het einde van de bank bereikt en kon dus niet nog méér opschuiven – maar hij had daarnet Berts schouder vastgegrepen met zijn hand. Een hand die, zo zag Bert nu, een handschoen droeg, maar waarvan de vingers bloot gelaten waren. Dat was om vlot de trekker van een pistool te kunnen overhalen, iets wat in deze stad wel eens nodig bleek. Maar daardoor waren de vingers onbeschermd voor mogelijke virussen, en konden ze in theorie besmet zijn. Dat betekende dus dat Berts jas straks tweeënzeventig uur in quarantaine moest. Vreemd, bedacht Bert, hoe snel alles kon veranderen. En nog vreemder hoe snel mensen deze veranderingen ondergingen en zich aanpasten. Zich de nieuw opgelegde levenswijze hadden aangemeten.

‘U hebt mij niet goed begrepen,’ blafte de kolos. ‘Ik bedoelde het niet letterlijk. Ik vroeg niet wat u hier actief zit te doen, want dat lijkt me niet veel, maar waarom u hier zo vroeg al zit.’ ‘Vóór het ochtendkrieken,’ vulde Bert aan. ‘Precies,’ bevestigde de agent. ‘Waarom zit u hier om kwart voor vijf, helemaal alleen? Terwijl het nog pikdonker is. De zee is amper te zien, de horizon al helemaal niet.’ ‘Maar je hoort het rollen van de golven,’ zei Bert. ‘En alle lichtjes in de verte verraden de aanwezigheid van boten. Vissersboten, zeilboten, kustvaarders, en… windmolens. Ik voel me dus verre van alleen.’ ‘Maar die boten hebben geen uitgangsverbod, meneer. Terwijl het voor u wél wettelijk verboden is om vóór vijf uur buiten te komen.’ Hij wees naar de camera die bevestigd was
aan de grijze reling die de zeedijk van het zand scheidde. ‘Dacht u dat uw illegale aanwezigheid op deze bank onopgemerkt zou blijven?’ Hij keek Bert diep en streng in de ogen. ‘En onbestraft?’ vervolgde hij dreigend. De camera was op de bank gericht waar Bert zat. Langs heel de zeedijk stonden witte, van houten latten gemaakte zitbanken, en telkens hing voor zo’n bank een camera. Net als er op iedere hoek van elke straat een camera hing, en in parken, plantsoenen, op het strand en in de duinen. Exact één seconde nadat Bert op de bank had plaatsgenomen, zette een druksensor een stil alarm in werking en was er een rood lichtje gaan branden in de observatiecentrale. Even later, nadat via het camerabeeld geverifieerd was dat het niet om een vals alarm ging, veroorzaakt door een zeemeeuw of een duif, was de ploeg met anonieme wagen verwittigd en naar de plaats delict gestuurd. Bert wist op het moment dat hij zich neerzette dat hij bezoek kon krijgen, maar hij had stil gehoopt dat de politiepatrouilles van dienst bezet waren geweest met zwaarwichtiger opdrachten. ’s Nachts werd er regelmatig ingebroken en geplunderd in de buurt, meestal rond deze tijd van de nacht, net voor de dageraad.

Sinds de coronawet van kracht was, uitgevaardigd na het bedwingen van de COVID-19crisis en gestemd “ter preventie van toekomstige pandemieën en andere uitbraken”, moesten de horecazaken om negen uur ’s avonds de deuren sluiten. Op de terrassen moest de muziek om acht uur afgezet worden. Dat gold ook voor de vele nachtcafés in het centrum van de stad. Er was geen logische verklaring voor, maar sinds het covidvirus de wereld een tijd geleden had overspoeld was er in het land een wildgroei ontstaan aan wetten, reglementen, decreten en verordeningen. Elke gemeente vaardigde die, zelfs nu nog, naar eigen inzicht en willekeur uit; het gezond verstand werd hierbij regelmatig genegeerd. Hier, in Berts woonplaats, waren de specifieke sluitingsuren van de centrumcafés opgelegd na uitvoerig lobbywerk door de bewoners van recente woonprojecten in de omgeving van de Langestraat. Deze nieuwe bewoners, veelal tweedeverblijvers en inwijkelingen uit de rest van het land, stoorden zich aan de uitgaansdrukte en hadden verschillende rechtszaken aangespannen tegen de stad. De eerste schepen, die reeds van bij het begin van zijn mandaat uitblonk in het verzinnen van vrijheidsbeperkende maatregelen, had de klagers voorgesteld om een avondklok in te voeren voor de cafés in het centrum, in ruil voor het droppen van de klachten, wat ook gebeurde. Het protest tegen de sluitingsmaatregelen legde hij graag naast zich neer; het uitgaanspubliek rekende hij doorgaans niet tot zijn kiesgroep. Toen na sluiting mensen in de omgeving van de cafés bleven hangen, vaardigde hij bovendien een samenscholingsverbod uit, en nog wat later een wandelverbod voor de perimeter Leopold II laan – Witte Nonnenstraat – Groentemarkt/Kapucijnenstraat – Albert I promenade en Oosthelling. De bewoners van de nieuwe serviceflats in de Langestraat en de tweedeverblijvers uit het gebouw ertegenover hadden enkele weken rustig kunnen slapen, tot een nieuw fenomeen de kop opstak. Door de ontradingsmaatregelen voor de cafébezoekers was het er ’s avonds stil, maar ook leeg. En het gebrek aan sociale controle bracht een golf van inbraken op gang, waarbij ook winkels regelmatig geplunderd werden. De politie werd praktisch iedere nacht opgeroepen voor interventies in de stiltezone.

Maar vandaag blijkbaar niet, dacht Bert. ‘Dat zal u geld kosten, meneer’. De agent grijnsde. ‘Of u moet mij een goede reden kunnen geven die uw aanwezigheid hier rechtvaardigt.’
Tot Berts verbazing zag hij dat de stoere barse verschijning hem nu toch ietwat nieuwsgierig – met een beetje verbeelding kon men zelfs denken: goedmoedig – toeknikte. ‘Ik kon gewoon niet slapen,’ zei Bert. ‘Ik weet dat het lullig klinkt, maar het is de waarheid. En, eerlijk gezegd, ik dacht dat het later was. Ik zou nooit bewust buiten gaan tijdens de avondklok.’ De agent zuchtte. ‘Ik vrees dat dit geen geldig excuus is, meneer. Dat zal u helaas vijfhonderd euro kosten.’ Bert schrok. ‘Vijfhonderd euro? Is dat niet wat veel? Ik heb tenslotte geen misdaad begaan.’ ‘Vijfhonderd is het standaardtarief, meneer,’ antwoordde de agent rustig. Op voorwaarde dat u onmiddellijk betaalt. Wij aanvaarden Visa, MasterCard, American Express, PayPal en Payconiq. Indien u ervoor kiest om later te betalen, verdubbelt de retributie. Bert trok grote ogen. ‘Dan zou het mij duizend euro kosten!’ De agent knikte en antwoordde op rustige toon: ‘Met de wet valt niet te spotten, meneer. En toegegeven, het spijst de stadskas ook aardig.’ Hij grinnikte. ‘Maar u mag nog van geluk spreken, meneer, vóór vier uur had het u het dubbele gekost. Duizend meteen, tweeduizend later.’ ‘Wie had ooit gedacht dat het nog zover zou komen,’ bromde Bert. De agent trok de schouders op. ‘Tja, dat was toch te denken? Toen indertijd de eerste covidmaatregelen van kracht werden, protesteerde niemand. En u weet, geef een politicus een vinger…’

‘Stan!’ riep een stem vanuit het niets. De politieman draaide zich met een ruk om naar de koplampen. ‘Inbraak in de Louisastraat,’ vervolgde de stem. ‘Daders waarschijnlijk nog ter plaatse!’ Stan maakte zich los van de bank en stormde naar de zwarte Volvo, terwijl zijn collega de motor startte. Tijdens het instappen riep Stan Bert toe: ‘U hebt geluk, meneer. Maar ga nu toch best onmiddellijk naar huis.’ De Volvo schoot vooruit en draaide met piepende banden de Hertstraat in richting Van Iseghemlaan. Bert fronste nog even, haalde opgelucht adem door deze financiële meevaller en installeerde zich vervolgens comfortabel op zijn bank. Hij keek op zijn horloge: twee na vijf. Hij glimlachte. Hij zat hier niet meer clandestien. Hij nam het geluid van de rollende golven op het strand in zich op, het krijsen – bijna lachen – van de meeuwen en het geluid van een scheepshoorn in de verte. Het begon te schemeren, de zon kwam op in het oosten. In het westen en het noorden vingen bootjes aan de einder het eerste licht in hun zeilen en kaatsten dit terug richting kust. Elke dag opnieuw gebeurde dit. Twee jaar na het verslaan van het eerste virus was de bigbrotherduisternis nog steeds prominent aanwezig in ieders leven, maar elke ochtend, overal ter wereld, gaf het licht nieuwe hoop. Dit licht kan nooit bedwongen worden, mijmerde Bert. Hij haalde tevreden adem. Zijn longen vulden zich met de zilte zeelucht. Toch nog even rust. Hij monkelde. Een mens moet er vandaag de dag wat voor over hebben om een beetje eenzaamheid te mogen ervaren.