Fernanda stond voor het raam en keek naar buiten. De meeuwen zwiepten als sneeuwvlagen over de duinen. Hoewel in Antwerpen geboren en opgegroeid, wilde Fernanda aan zee wonen. Het oneindige, het eeuwige van eb en vloed fascineerde haar.

Op haar oude dag had ze voor Oostende gekozen. Het leek haar het beste van twee werelden: een grootstad met een strand. Ze had wel nooit voorzien dat ze haar laatste jaren in een tehuis voor ouden van dagen zou doorbrengen. Jaren geleden had ze zich laten verleiden om een flat te kopen in een gebouw dat praktisch op het strand stond. Ze had beter moeten weten, want er leken veel meer stormen te zijn dan in haar kinderjaren, maar het heerlijke uitzicht trok haar aan. De zee was elke dag anders, van parelmoer en opaal tot glinsterend grijs en turkoois groen. Het fijnste vond ze om over het strand te wandelen wanneer het getij zich net had teruggetrokken en er nog grote plassen water langs de branding lagen. Daar zag ze de hemel in weerspiegeld, of ze over wolken liep. Dat waren de mooie jaren, toen ze nog vlot over het strand kon wandelen, uren ver. Nu lukte het niet meer, ze had te veel pijn. Haar lijf liet haar in de steek. Ze had nieuwe knieën en nieuwe heupen, maar een ruggengraat kon nog niet worden vervangen. Ze slikte zware pijnstillers, die telkens een beetje soelaas gaven, maar minder steun boden dan haar stevige wandelstok. Ooit was die op haar maat gesneden, op een reis in Schotland, maar nu was hij eigenlijk te groot voor haar. Ze was enorm gekrompen.

Nog niet zo lang geleden had Fernanda tot haar schrik geconstateerd dat ze oud was. Wanneer ze in de spiegel keek, herkende ze zichzelf niet meer. Was zij dat, dat oud wijf? Ze was nooit een echte schoonheid geweest, maar toch keken mannen twee keer wanneer ze haar zagen. ‘Ze heeft iets’, zeiden ze. Wanneer was dat gebeurd, die aanval van de ouderdom? Gisteren zag ze er nog goed uit, jong en actief, altijd bereid om te feesten, haar koffers te pakken voor een verre reis, paard te rijden en te dansen, vooral te dansen. Telkens ze op het grote binnenplein van het Antwerps station kwam, moest ze zich inhouden om die heerlijke ruimte niet in te nemen met een woeste dans. Nu zette ze voorzichtig de ene voet voor de andere, altijd bang om te vallen, want dat was al verschillende keren gebeurd. Ze was vaak duizelig, struikelde over de minste oneffenheid in de stoep, brak haar neus. Nu was ze veilig in het tehuis, want daar mocht ze niet eens buiten wandelen. ‘Voor uw eigen bestwil’, zegden de verpleegsters. Een enkele keer kwam er wel eens een vrijwilliger met een rolstoel, maar daar had ze weinig aan. He tehuis lag achter de duinen en de rolstoel kon niet op het strand. Daarom zette ze vaak haar raam open, om toch wat zeelucht op te snuiven. Als er een enkele keer een helpster binnen kwam, werd het prompt weer gesloten. ‘U zit in de tocht!’ riep die dan, alsof frisse lucht haar kwaad zou doen. Fernanda had al lang opgegeven om  uit te leggen dat tocht geen kwaad kan, dat de angst ervoor door de eerste mensen was doorgegeven van moeder op dochter, omdat ze toen in grotten woonden en de wind hoorden huilen door reten en spleten. Dat moesten wel boze geesten zijn. Praten met het personeel had toch geen zin, ze luisterden gewoon niet. Fernanda ergerde zich te pletter aan hun vrolijke kreten. ‘Daag madaamtsje! Gaan we lekker eten?’ De maaltijden waren de enige momenten dat Fernanda uit haar kamer kwam. Met de andere bewoners viel weinig te praten. De meesten waren dement en Fernanda haastte zich altijd zo gauw mogelijk terug naar haar kamer. Het ergste was dat ze zo weinig boeken had. In haar flat op het strand had ze een hele bibliotheek, vooral Engels, want dat vond ze de mooiste taal, met de beste literatuur.Net zoals de Britten de beste acteurs hebben, kunnen ze ook op de beste schrijvers bogen. Fernanda was nog heel jong, toen ze de complete Shakespeare had uitgelezen. Het was allemaal begonnen aan zee, toen ze nog heel klein was en haar grote zus Engelse tijdschriften meebracht om op het strand in hun dekstoelen te lezen. Fernanda kon al lezen eer ze naar school ging. Ze zat thuis op de grond over de krant gebogen, tot ze met de hulp van haar vader de tekentjes kon ontcijferen. Toen was het hek van de dam. Ze las alles wat los en vast zat, liefst een boek per dag. Toen ze twaalf was, mocht ze naar de bibliotheek en toen ging de hemel open. In die tijd moest je nog boeken uitkiezen in het archief van de bibliotheek. De titels schreef je op een briefje, dat je aan de bibliothecaris gaf. Die ging de boeken dan uit de rekken halen. Zelf rondlopen en uitkiezen was er nog niet bij. ‘U hebt een brede interesse’, zei de man zuinig, terwijl hij Fernanda vijf boeken overhandigde. De volgende week stond ze er weer.

Toen ze aan zee woonde, verbaasde het haar dat de mensen er zo weinig Engels kenden. Er was slechts een zee tussen hen en Engeland! Fernanda schuimde graag de rommelmarkten af, steeds op zoek naar de kostbare Engelse Pinguin pockets of andere boeken van haar favoriete schrijvers. Heel zelden vond ze er een. Massa’s Franse en Duitse boeken, maar niks Engels. Ze was op de bibliotheek en de boekhandels aangewezen.

Toen kwam de grote storm. De bliksem sloeg in en het dak van haar flat vloog weg. Fernanda’s dochter en schoonzoon kwamen haar ophalen. ‘Nu voel ik me echt een beetje een vluchteling’, zei Fernanda. ‘Die worden dan wel niet met een BMW opgehaald’, antwoordde haar schoonzoon. Gelijk had hij, Fernanda schaamde zich.

Bij haar kinderen kon ze niet blijven logeren, er was te weinig plaats. .Ze hadden een grote tuin. Fernanda vroeg of ze daar geen hokje kon krijgen, maar dat kon absoluut niet. Het ging heel lang duren eer haar flat een nieuw dak kreeg. ‘Moet ik dan iets anders huren’, vroeg Fernanda. De kinderen vonden dat ze voorlopig beter in een tehuis kon logeren dat wat veiliger lag voor de stormen. ‘Ze hadden een mooi home voor ouden van dagen gevonden, goed beschermd tegen het klimaat. Het lag niet zo open en bloot op het strand, op de eerste rij voor stormen en blikseminslagen, maar achter de duinen, dichtbij de rijweg.

In het tehuis mochten geen huisdieren worden meegebracht, iets wat Fernanda idioot vond. Een hond, oké, die blaft en schijt in alle hoeken, maar een poes slaapt uren aan een stuk, komt dan wat knuffelen en slaapt weer. Een kattenbak in een discrete hoek met ontgeurend zand zorgt voor de rest.

Ze was zeer gehecht aan haar kater Hamlet, genoemd naar haar favoriete figuur uit de tragedies van William Shakespeare. Hij was een Britse korthaar, een prachtig zilvergrijs beest met alleen wat wit aan zijn oortjes, bijna zo groot als een poema..

Gelukkig hadden haar kinderen Hamlet een vriendelijk nieuw tehuis bezorgd. De kinderen zag ze weinig. Ze hadden een fietsenwinkel en dat was een van de weinige ondernemingen die sinds de pandemie veel geld opleverde.

Het tehuis was inderdaad schitterend, meer een grote villa dan een gesticht, alleen was er te weinig personeel. Twee meisjes voor de dertig inwoners. Soms leek het of alle bellen tegelijk rinkelden, en dan moest Fernanda uren wachten tot iemand notie van haar nam. Gelukkig kon ze zich nog redelijk goed redden, alleen haar rug wou niet meer mee. Wanneer het eten (lauw en smakeloos) werd gebracht en ze iets van het bestek per ongeluk op de grond liet vallen, kon ze de rest van de maaltijd wel vergeten. Ze kon zich nog wel uit haar stoel werken en zelf bukken om het op te rapen, maar rechtkomen lukte niet meer. Ze liet het dan maar zo en schoof het eten van zich af. Het kwam ook op zulke rare uren. Het ontbijt was pover – enkele sneetjes brood met wat jam of speculaas, waar ze een hekel aan had. Ze was een spek-met-eieren-mens De lunch kwam dan weer veel te vroeg. Fernanda was gewend om 12.30 te lunchen met een slaatje of een omelet; nu kwam er iets na 11 een warme maaltijd met de goedkoopste producten die er op dat moment te krijgen waren.  Na een tijd stoof dan een van de meisjes vrolijk de kamer in. ‘Heeft het gesmaakt? Zo weinig honger? Tja, u zit ook zoveel!’, en zwierde de kamer uit. De vork of het mes of de lepel bleven liggen tot de schoonmaakster kwam, die hem zonder commentaar in haar zak stopte. Die was al lang blij dat het geen hoop stront was, die ze ook soms in de gang vond. De chique kamers hadden geen wc of douche en de twee helpsters hadden geen tijd om iedereen regelmatig een schone luier te geven. Fernanda achtte zich tot in het diepst van haar hart gelukkig, dat ze nog naar het toilet op de gang kon schuifelen. Ze begreep niet waarom ze niet even buiten mocht, gewoon rond het huis lopen, want er was alleen een kleine voortuin, tussen twee grote heggen van brem.

Het ergste vond ze dat ze zo weinig te lezen had. Er werden wel wat versleten roddeltijdschriften rondgedeeld, maar dat noemde Fernanda geen literatuur, al heetten ze “boekskes”. Er was zelfs geen kwaliteitskrant, alleen een plaatselijk roddelblad. Een vrijwilligster kwam dat aan de oudjes voorlezen, die er toch maar de helft van begrepen, waarop een en ander met luide stem werd uitgelegd. Fernanda griezelde ervan en bleef op haar kamer, waar de vrijwilligster een twijfelachtige blik wierp op de Complete Works of William Shakespeare op Fernanda’s nachtkastje, een blok waar je iemand de kop mee kon inslaan. Fernanda had het in wanhoop meegenomen, want er was amper plaats voor acht boeken. Op de vensterbank mocht niet, want dan moest de schoonmaakster die altijd verplaatsen en terugzetten. Gelukkig hadden haar kinderen haar antieke bureautje uit de doorregende flat kunnen redden. Daar zaten haar papieren in, haar dagboeken, haar fotoalbums … Op de opstand kon ze wat boeken zetten. Niet op het blad, want die ruimte had ze nodig om te schrijven, al wist ze de laatste tijd nog amper wat schrijven.

Er gebeurde niets. Er kwam geen bezoek, want de kinderen hadden het te druk met de fietswinkel. Het leek wel of iedereen tegenwoordig een fiets nodig had. Zelf kon Fernanda niet fietsen. Ze had het niet mogen leren toen ze klein was, want toen woonden ze in het drukke Antwerpen en haar ouders waren te bang dat ze zou verongelukken. Eens volwassen, probeerde ze het een paar keer, maar ze was te bang geworden. Ze zag zich al met haar gezicht verwikkeld in al dat ijzer. Ze geloofde er eigenlijk niet in. Die smalle fiets, en dan zo’n dikke kont erop die langs beide kanten uitpuilde … Hoe bleef zo’n ding overeind? Ze reed auto en ze reed paard, dat vond ze al mooi genoeg. Nu had ze alleen nog haar versleten benen. Hoe lang zou het nog duren eer ze zich niet meer kon voortbewegen? Ze probeerde zich te troosten met haar Shakespeare, en met de draagbare radio die ook uit de dakloze flat gered was. Die stond de hele dag op Klara. De laatste tijd werd er te veel gebabbeld naar haar zin, maar de prachtige muziek was haar troost. Het personeel vond het vreselijk, dat ze daar naar kon luisteren. ‘Vindt u dat nu echt sjchone?’

Naught as queer as folk’, antwoordde Fernanda dan, of ze een grapje maakte, wat de beste manier was om de kwebbelaars op de vlucht te jagen. Het ene meisje dat haar een beetje leek te begrijpen, was een zwarte vrijwilligster met een enorme krans zwart krulhaar, die meestal boodschappen deed. Ze had een tweedehands boekwinkel in het dorp gevonden, en daarvan bracht ze soms iets voor Fernanda mee. Helaas was het meestal chicklit of iets uit de Boeketreeks, over dokters die met hun verpleegsters trouwden. Fernanda wou dat ze haar driedelige verzameling korte verhalen van Somerset Maugham had meegenomen, of de dikke bonk verhalen van Katherine Mansfield, of de reeks stoute sexy romans van Mary Wesley … het bizarre werk van David Mitchell, alles van E.M. Forster … en zeker The Lord of the Rings van Tolkien, dat ze het epos van de huidige tijd vond …Ze kon er nog tientallen opnoemen, maar wat haalde het uit? Er was toch geen plaats voor. Er werd nu al genoeg geklaagd dat alles moest afgestoft worden. Het bureautje met zijn laatjes en deurtjes en inhammetjes was toch al een steen des aanstoots. Ze moesten eens weten, dacht Fernanda. Ze moesten eens weten dat er een geheim vakje in zit! Daar verstopte ze haar opgespaarde slaappillen. Ze klaagde zo vaak over slapeloosheid dat de dokter haar een sterkere pil had voorgeschreven, met de waarschuwing die alleen maar te gebruiken als het echt nodig was, wat Fernanda zedig beloofde.  Wat ze met dat stapeltje ging doen, wist ze nog niet goed Als ze het echt beu werd, kon ze die misschien pletten in het potje yoghurt dat vaste prik was in de namiddag, maar zou ze dan niet alles weer overgeven? Vroeger was het simpel: je nam een hele tube slaap- of kalmeermiddelen met een fles whisky en klaar. Nu hadden die sadisten van dokters er iets aan toegevoegd waarmee je alles weer moest uitkotsen. Zou het haar niet lukken als Madame Bovary, die na die hap arsenicum ook moest braken, maar hem met alle geweld binnen hield? Het was wel een vreselijke dood. Flaubert moet beslist die doodsstrijd persoonlijk hebben meegemaakt, zo gruwelijk gedetailleerd was zijn verslag. Hij was bevriend met een arts van het ziekenhuis en daar had hij zeker een afspraak mee dat hij erbij mocht zijn wanneer iemand vergif had genomen. Dat het een mooie jonge vrouw was, zag hij beslist als een meevaller.

Was er dan geen veilige manier om zelfmoord te plegen? Je ophangen was ook heel onprettig, en stel je voor dat net een van de helpsters op een zeldzaam bezoek kwam. De villa was te laag om dodelijk van het dak te springen. Zou ze kunnen ontsnappen tot de dichtst nabije brug over de autoweg? Dat wou ze die arme chauffeurs niet aandoen.

In ieder geval wou ze hier haar leven niet tot het einde doorbrengen. Kon ze over de duinen achter de villa kruipen en de zee inlopen? De voordeur was altijd op slot. Ze ging pas open als je een code intikte, maar dat was niet de code die naast d deur hing. Het was een reeks cijfers en letters en het duurde niet lang eer Fernanda doorhad dat je ze achterstevoren moest intikken. De helpsters raakten eraan gewend dat ze wel eens in haar rolstoel voor het grote raam met uitzicht op de duinen zat, ogenschijnlijk diep verdiept in haar Shakespeare. Ze leek hele stukken vanbuiten te kennen, die ze hardop reciteerde, terwijl een helpster aan een vrijwilligster  uitlegde hoe de code werkte. Ze hield Fernanda dan nauwgezet in de gaten, maar die leek half in slaap en murmelde ‘Look in the glass and tell the face thou viewest / Now is the time that face should form another.’, waarop de helpster snel het halfbakken geheim van de code onthulde. Ze zou niet zo gerust zijn geweest, als ze had geweten dat Fernanda twee dingen tegelijk kon doen. Toen ze op school steno leerde, was ze de snelste van de klas en terwijl ze het dictee in foutloze steno omzette, hield ze een vinnig gesprek met haar buurvrouw. Wanneer ‘s nachts een zeldzame keer alles stil was, zou ze zich in haar rolstoel kunnen hijsen en buiten rijden. Maar hoe kwam ze over de duinen? Zelfs als ze de zee bereikte, was ze bang dat ze op het laatste moment in paniek zou raken en om hulp roepen. Ze zuchtte hopeloos. Euthanasie aanvragen? Dat ze het leven beu was, zou zeker niet geaccepteerd worden. Hoe kon ze er eind aan maken?

Wanneer ze op haar leven terugkeek, was ze drie keer in de verleiding geweest om zelfmoord te plegen. De eerste keer was een moment van pure wanhoop geweest. Ze had een job waar ze haar hele leven van gedroomd en naar gestreefd had,  reisjournaliste voor een vooraanstaand blad. Ze reisde de hele wereld rond, werd overal als een koningin behandeld, omdat iedere toeristische dienst wist dat een lovend artikel in haar onnavolgbare warme en tegelijk grappige stijl het meest saaie plekje op de kaart zette als een oord dat je gezien moest hebben. Het was een heerlijk leven, maar schone liedjes duren niet lang. Toen ze oud werd, ging de job naar een jonge troela, die niet kon tippen aan Fernanda’s kennis, maar iedereen inpakte met haar vrolijk getater. Toen ze uit het kantoor van haar vriendelijke maar onverschillige hoofdredacteur kwam, was ze met haar auto het bos in gereden. Stevige bomen genoeg om zich aan op te hangen, maar ze had geen touw bij …

De tweede keer kreeg ze de foute diagnose van longkanker. Ze lag toen in het ziekenhuis omdat er een bloedklonter achter haar sleutelbeen was blijven zitten en de rechterkant van haar lijf blauw werd. Er werd dringend geopereerd, en de chirurg kwam haar vertellen dat alles in orde was. Ze was nog niet helemaal bij en zakte dankbaar weer in slaap.

Op zondag kwam de hoofdarts, in driedelig pak, haar vertellen dat het volgens hem longkanker was. ‘Ik voel het aan mijn haar’, zei hij. ‘Prettige zondag nog!’ Fernanda was verpletterd. Aftakelen tot ze zou stikken, dat wou ze absoluut niet. Nu moest ze direct reageren, niet meer nadenken, want dan durfde ze niet. Ze zou van het dak springen. Ze rende alle trappen op, tot ze op zolder kwam en een vergrendeld luik vond. Ze liet zich op de bovenste trap zakken en huilde. Nu durfde ze niet meer, misschien had de energieke vlucht haar brein te veel zuurstof gegeven.

Ze kreeg de ene test na de andere, tot de hoofdarts moest toegeven dat hij geen spoor van longkanker vond.

De derde keer diende zich aan na een verpletterend gesprek met haar dochter.

Fernanda was gescheiden, maar de brullende ruzies en blauwe ogen die ze van haar man kreeg, had ze altijd goed verborgen gehouden. ‘SST’, zei ze dan, ‘niet zo hard. De kinderen slapen!’ En dan stond ze af te wassen met een zonnebril op. De kinderen mochten niets weten, die moesten absoluut een gelukkige jeugd hebben. Tot haar dochter haar vertelde dat ze allemaal wist wat er gebeurd was, en dat ze helemaal geen gelukkige jeugd had gehad. Fernanda voelde zich verpletterd. Had ze al die moeite voor niks gedaan? Voor de kinderen was ze jaren bij een man gebleven die haar mishandelde en haar vuile ziektes gaf omdat hij naar de hoeren ging, terwijl hij haar toch elke morgen om vier uur verkrachtte. Dan draaide hij zich om en viel in slaap. Fernanda moest om zes uur opstaan, want ze wou eerst het huishouden doen eer ze naar de redactie van het toeristisch tijdschrift ging. Ze lag dan met brandende ogen te wachten tot zes uur. Het liefst had ze hem de kop ingeslagen. Ze zou wachten tot de kinderen getrouwd waren, dan ging ze weg.

Na die verwijten van haar dochter had het leven geen zin meer. Ze ging huilend slapen en stond huilend weer op. Zo kon het niet langer. De zee trok. Dat was een zachte dood, had een collega haar verteld. Als je maar genoeg water slikt. De kinderen zouden wel verdriet hebben, maar ze leidden hun eigen leven. Nu moest ze doorbijten.

Tot ze uit het raam keek. Het was een mooie dag en het strand krioelde van de dagjesmensen. Op geregelde afstand stond een redder, die alles nauwkeurig in de gaten hield. Als iemand zich te ver in het water waagde, blies hij op zijn toeter. Fernanda zuchtte. Weer niks. Was er dan helemaal geen kans?

Ze herinnerde zich een tocht door een woud in de Ardennen. Het leek oneindig groot en het was heel dicht begroeid. Toen al had ze gedacht dat je hier rustig zelfmoord kon plegen, eer iemand je vond. Maar dan moest het een ouderwetse winter zijn, met pakken sneeuw en een temperatuur zo laag als in Rusland. Je drong ’s nachts zo diep mogelijk het bos in, met zoveel pillen als je nodig had en een fles whisky. Je kleedde je uit en je viel in slaap, om nooit meer wakker te worden. Dat was het, dat moest beslist lukken. Ze zou natuurlijk worden opgegeten door de beesten van het bos, maar daar had ze dan geen last meer van.

Met de opwarming van de aarde was ook die kans verkeken. Daarbij, hoe zou ze in een Ardens bos geraken?

Toen gebeurde het wonder.

Na vele jaren van kwakkelwinters, begon het serieus te vriezen. Min twintig, net zoals in Rusland Het was ijskoud en de verwarming werd omhoog gedraaid. Ze kreeg een dikke deken, een warme nachtjapon en kamerjas en met bont gevoerde sloffen. Tegen Kerstmis begon het zelfs te sneeuwen. Fernanda keek gretig naar buiten. Ze zag de sneeuwstormen als een aanmoediging, een teken. Nu moest het lukken.

Ze wachtte tot iedereen naar bed was, trok haar lichtste nachtjapon, kamerjas en pantoffels aan. Zou ze haar kussens onder de dekens frommelen, zodat niet zo gauw gezien zou worden dat het bed leeg was? Dat vond ze te veel op een slechte film lijken. Ze hield haar adem in en opende de deur. Alles was donker en stil. Door de voordeur scheen wel het licht van de rijweg. Voetje voor voetje sloop ze door de gang. Toen bevroor ze, want ze hoorde een deur opengaan. De tranen sprongen haar in de ogen. Zou het nu toch weer niet lukken? Ze kon nergens schuilen, want er stonden amper wat stoeltjes en tafeltjes in de gang. Ze drukte zich tegen de muur en wachtte. Een van de demente oude vrouwen slofte door de gang. Ze keek Fernanda aan, zei niets, slofte met het hoofd tussen de schouders voort, verdween om de hoek. Op zoek naar het toilet, dacht Fernanda. Nu moest ze zich haasten. Ze had een driedubbele dosis slaappillen genomen. Genoeg om te slapen en te weinig om uit te kotsen,dacht ze. Nu al zag ze de muren bewegen. Ze haastte zich naar de voordeur. Daar kleefde de uitwegcode tegen de muur. Het leek of ze een dreun op haar hoofd kreeg. Ze was de juiste code vergeten! Ze slikte, haalde diep adem en bedwong uit alle macht de opkomende paniek. Ze wist het wel, natuurlijk wist ze het. Het zat in haar hoofd, het moest eruit komen. Gewoon even aan iets anders denken. ‘No, t’is not so deep as a well, nor so wide as a church door, but ’t is enough, ’t will serve. … A plague on both your houses!’, fluisterde ze. Het hielp, ze moest de code achterstevoren indrukken. Maar het was donker, en ze kon het niet lezen. Weer vloog de paniek door haar heen, tot er een zware vrachtwagen voorbij donderde en met zijn lichten een schijnwerper over de code zwierde. Fernanda tikte de letters in. De deur klikte open.

Het leek eindeloos te duren eer ze de heggen bereikte, toch zo dichtbij. Ze liet zich zakken achter de heg die de rijweg afsloot. Ze hoopte dat het personeel sliep, want als iemand uit het raam keek, konden ze misschien over de eerste heg kijken, al was die erg hoog. Ze maakte zich zo klein mogelijk. Ze had haar groene zomerpeignoir gekozen, zodat ze niet zou afsteken tegen de heg.

De kou viel over haar heen als een golf van ijs. Ze schudde van de kou. Dit was niet menselijk. Ze rolde op haar zij, probeerde op te staan, maar dat kon ze niet. Zou ze om hulp roepen? Dat was haar eer te na. Wie A zegt … dacht ze grimmig. Ze sloot de ogen en probeerde zich te ontspannen. Hoe was het ook alweer? Now cracks a noble heart … good night, sweet prince, and flights of angels sing thee to thy rest …

De sneeuwvlokken vielen zachtjes op haar neer.

 

FRIEDA LAEVAERTS