Ik wil een petitie opstarten tegen het oneigenlijk en overmatig gebruik van de term ‘bruisende stad’. Het zit me tot hier. *Ik trek een streep met gestrekte handpalm over mijn voorhoofd.*

De bruisende stad bestaat niet. Men zou kunnen opwerpen dat New York City er een is. Die stad slaapt immers niet, zo wil de reisgidswijsheid het. Wel, ik kan je vertellen, als taalliefhebber pur sang, dat bruisend geen synoniem is, zelfs geen poëtisch, van lawaaierig, noch van schreeuwerig. En nee, dit is geen persoonlijke mening, wat dan weer een pleonasme is.

Sterkere claims zijn er voor Tokyo: bruisend betekent verrassend, energiek, vernieuwend en huiverig voor clichés. De fluowijk Asakusa, het mierennest-metrostation Shinjuku: het zal allemaal wel. Maar wandel eens langs de bomen bij de Meijitempel of ga rustig liggen in het gekamde gras van Gyoen: het enige wat er bruist zal het felkleurige blikje exotisch fris zijn, dat je even voordien in een van de miljoenen vending machines kocht. Voor het overige: het ruisen van de sakurabloemen, het rakelen van wit grind.

Zo kan ik al je argumenten vlot onderuithalen, dus bespaar je de moeite. Weer naar de kern van de zaak: we schaffen de term af en – nu we toch bezig zijn – tegelijkertijd wil ik een lans breken voor het neologisme ‘eenzame stad’.

Om een (niet zo) lukraak voorbeeld te noemen: Oostende. Vele adjectieven dekken een deel van de lading van de stad, maar geen is zo krachtig mooi als eenzaam. Ik leg het uit.

Begeef je bij daglicht naar de binnenstad. ’s Morgens of ’s middags: het effect zal identiek zijn. Ga dan naar de Hertstraat. Mocht je niet zo goed zijn in straatnamen: je hebt die enigszins verlepte en krampachtig gefacelifte winkelstraat, die van het Marie-Joséplein tot aan de markt mooi in klinkers hoort te liggen, als eeuwige wegenwerken je die herinnering niet hebben ontnomen. Je slaat het eerste zijstraatje links in. Die kun je in de mooiweermaanden herkennen aan de menselijke slang die er een ijstijd aanschuiven voor over heeft de lekkerste sorbets weg te likken. In die Hertstraat neem je nogmaals de eerste straat links: je bent er. Wie heeft ooit al van de Kleine Weststraat gehoord?

Hier moet je zijn als je mijn concept ‘eenzame stad’ wilt vatten.

Schrik niet: je bent niet langer in Oostende, je bevindt je in een dystopisch straatje-zonder-eind. Het lijkt alleen maar alsof je het einde ziet: deze fata morgana is alvast stukken overtuigender dan de televisieversie op de dijk, zoveel jaren terug, toen Sergio nog een boerse presentator en geen Zeeuwse sterrenchef was. De dichte huizenrij, zowel links als rechts, duldt geen passage: elke stap beklemt, de straat wordt smaller bij iedere pas voorwaarts. De aaneengeschurkte huizen lijken onechte neven van de schuifelende kerken van Uikemene uit Koning van Katoren: bij wie zijn klassiekers kent, breekt angstzweet uit.

Je merkt: hoewel verdergaan levensgevaarlijk lijkt, dwingt een bovennatuurlijke kracht je vooruit. Is het de Sirene van de Noordzee, die je straks doet zinken, verdrinken in waanzin?

Eenzaam ben je, aangewezen op jezelf. Hulp hoef je hier niet te verwachten. Dit is eenzaamheid pur sang: de totaalbeleving.

Slechts één levend wezen heeft hier z’n biotoop: de flessenman. Ken je Jan, de flessenman? De flessenman, de flessenman? Niemand weet waar hij vandaan komt. Eén ding is zeker: het is niet uit Scheveningen. Het riedeltje raast door je hoofd. De flessenman schuift langs de muren, bokst op tegen het schuivende steen. Hij kruist je pad, groet je niet. Hij houdt zijn flessen angstvallig in de gaten. Schikt ze schots en scheef in een plastic boodschappentas. Herschikt, schrankt en stapelt. Z’n rug is onvriendelijk, duwt je weg. Verdwijn!

Plots ruik je brood en verschaald bier. Een vleugje urilift met schilfers lamsvlees uit durum, pita en kapsalon. Kijk niet meer achterom, Orpheus indachtig. De beproeving is voorbij. Je hartslag herstelt zich tot een geruststellend ritme. Houd je een plekje vrij aan je terrastafeltje?

En toch bekruipt je een gevoel van gemis, een vage heimwee dringt je gemoed binnen. Terwijl je mijmert en slentert door de zon- of neonovergoten winkelstraten, trekt een onzichtbare hand je mee. Je gaat naar de Hertstraat, je neemt de eerste links: wie heeft ooit al van de Kleine Weststraat gehoord?