De Salices sepulcralis Chrysocoma waakten als sfinxen over de dodenakker. Groot, donker en dreigend leken de pas gesnoeide takken van deze treurwilgen hun vuisten te ballen naar hemelse  geesten. De wolkeloze hemel kleurde mistig blauw, de zon flets geel. Kwinkelerende mezen genoten van de pas ontluikende lente en huppelden om en rond de verlaten rustplaats voor oorlogssoldaten. Een onzalig triest gevoel overviel me. Ik leunde tegen een bankje aan en wachtte op wat haar laatste rit zou zijn. Een paar minuutjes later schoof de lijkwagen langzaam uit de Stuiverstraat de brede laan van de begraafplaats in, een volgstoet rouwenden begeleidde de wagen. Ik liep mee, drie meter tussen latend, tot aan de strooiweide. Kinderen en kleinkinderen schaarden zich beschermend rond de urne. De jongste pagadder keek vragend rond, trok aan de arm van haar nichtje en vroeg waar Meme was. Een ruiker witte rozen naast de urne verzachtte sfeervol de reden van het samenzijn. Die rozen Memé waren voor jou, want jij was een bloem van een vrouw. De ceremoniemeester, God wat een woord, ging over tot de normale geplogenheden. Zijn woorden gingen verloren in de wind. Maar woorden en zinnen hoeven niet, jouw erfenis Memé ligt geborgen  in de harten van wie jij lief had en wie jou kende. Je koos om te gaan, of liever je wilde gaan, want voor jou was het volgspoor niet meer duidelijk. Voor mensen van jouw leeftijd is corona funest; ronduit vernietigend! Je voelde je eenzaam en je zichtbeperking verstoorde het raamcontact. De leefruimte in het zorghuis was ‘leefloos’ geworden en samen eten of bewegen met lotgenoten kon niet meer. Het mondmasker sloot ook jouw lippen. De schikkingen in het rusthuis waren van levensbelang: het virus moest buiten blijven, maar de  impact was verpletterend. Vastberaden nam je de beslissing om uit het leven te stappen, een beslissing die loeihard aankwam. Het was slikken en laten bezinken … tot jouw keuze een plaats vond in de harten van je dierbaren. Uit liefde voor jou begrepen ze jouw wil om te vertrekken. Voor Magda, je enige dochter, viel deze regeling extra zwaar. Maar jij, lieve Memé, was in het reine met jezelf, je wilde gaan. Je ogen deden het niet meer en ook je gehoor viel langzaam weg. In het zorghuis voelde je je nog een schim. Je zetel werd je kleine universum. De weg vinden kon niet meer, je telefoon en het glaasje op de tafel grijpen vergde teveel van je. Je kwijnde weg in je solitaire cocon maar als Magda of de kleinkinderen bij je waren, brak de cocon open en was er die deugddoende babbel. Ook toen de familie in de laatste week afscheid van je nam, was je gelukkig. ‘Ze stellen het goed’, dacht je en lachte dankbaar. Je grootmoederzorg was legendarisch, daarom hield men kommer en kwel verborgen voor je. Magda en Fred waren, net als de klein- en achterkleinkinderen, je lieverds. En toch liet je iedereen achter, bewust, glashelder en beslist, zonder kwaadheid of rancune. Je cijferde jezelf weg – nu wel letterlijk – zoals altijd. Corona had jouw levenskwaliteit aangetast en verroest. Memé, stoppen met leven hoe doe je dat? Ik begreep het niet zo goed, tot nu, want ik stond aan de zijlijn van het intieme gebeuren en voel jouw grootsheid vervat in die kleine urne, je gulle lach, je dankbare blik! Ik zal jou nooit vergeten!