Ze staat er elke keer weer: een donkere vrouw bij de ingang van het grootwarenhuis. Ze ‘verkoopt’ daklozenkrantjes. Maar geen mens die er interesse voor heeft. Soms, niet vaak, laat iemand een muntje vallen in de plastic beker die ze ophoudt. Mij kent ze intussen al en knikt – voor haar doen – heel enthousiast als ik voorbij loop. Ze weet dat ze straks 2 euro en een glimlach van me krijgt wanneer ik mijn winkelkarretje weer heb geparkeerd.

Maar vandaag komt ze me achterna gelopen. “Madame, madame” of ik niet eens een pakje koffie voor haar kan meebrengen…  Een beetje verward knik ik terug en ga binnen. Er bekruipt me een raar gevoel. Iets wat lijkt op irritatie omdat er ’misbruik’ wordt gemaakt van mijn ‘goedheid’.  Zo’n ‘je geeft-ze-een-pink-en-ze-nemen-je-arm’ gevoel. Niet dat ik een pakje koffie nu zo’n inbreuk op mijn wekelijks budget vind, ik weet maar al te goed hoe lekker het kan smaken, maar ik heb niet de gewoonte om er eentje van de supermarkt mee te brengen….

Wat me stoort, is dat ik zelf niet meer mag beslissen óf ik wat geef en wàt ik precies geef. Dat mijn liefdadigheid gelijk al verwacht wordt, meer nog, gestuurd en meteen opgetrokken wordt. Terwijl ik mijn kleine ergernis loop te ontleden, ben ik het koffierek al lang voorbij en werk verstrooid mijn lange boodschappenlijst af.

Wanneer ik, na eindeloos aanschuiven aan de kassa, eindelijk met mijn volle winkelwagen de deur uitkom dringt het tot me door: geen koffie. En dat moet ik haar nu recht in de ogen vertellen. Kan ik haar zeggen waarom ik het vergat? Moet ik me verontschuldigen voor zoveel egoïstische verstrooidheid? Hoe maak ik dat goed? Met een blos op de wangen van pure gène zeg ik haar dat ik de koffie ben vergeten, maar dat ze zelf een paar pakjes kan gaan kopen. En ik geef haar een briefje van 10 euro.

Er zit iets meewarigs in haar blik wanneer ze het biljet in haar groezelig heuptasje wegfrommelt en iets mompelt dat waarschijnlijk ‘dank u’ wil zeggen. Een pakje koffie zou haar meer plezier hebben gedaan, denk ik terwijl ik de parking afrijd. Het is niet omdat ik niet weet wie ze is en of ze’t echt wel nodig heeft dat ik het haar niet mag gunnen. Wie staat nu voor haar plezier elke dag aan de deur van zo’n tempel vol verleidingen, met een stapeltje kranten en een plastic bedelbekertje?

Een pakje koffie als kleine luxe, in plaats van een briefje geld dat misschien weer nuttig gebruikt moet worden, of slechter nog, dat ze meteen moet afgeven aan één of andere mensensjacheraar.

Beter gaf ik die arm, inderdaad, in plaats van dat gemakkelijke, vrijblijvende pinkje.